Qader Shafiq

‘Kleine ogen in de grote wereld’

In de binnenspiegel van mijn auto zag ik een paar ogen. Vermoeid en verdrietig leken zij. We hadden tijd voor een langere autorit.

Ik wilde deze vier evacués, die uitgenodigd waren om van de tuin waar ik vrijwilliger ben te genieten, de fraaie omgeving van de stad laten zien. De enige man naast mij mocht de muziek kiezen.

De Hazara-liederen van Dawood Sarkhosh veranderden Berg en Dal in het landschap van Centraal-Afghanistan. De kleine ogen die nu vrolijkheid uitstraalden, leken op de ogen die mij dierbaar zijn. Mijn gedachten verlieten de vergeelde Duivelsberg en Ooijpolder en brachten mij naar de koudste decemberavond van mijn jeugd.

De allereerste verdrietige avond bij ons thuis. Het was stil. Zelfs de transistorradio van mijn vader die de wereld bij ons thuis bracht. Anders dan anders genoot ik niet van de kachel met kookplaat die mijn moeder aanmaakte. Ik keek niet naar de vlammen die je via het kacheldeurtje kon aanschouwen. Ook viel ik mijn moeder niet lastig met vragen over wat er in de pan pruttelde.

Het spektakel van de ijspegels die aan de gevels hingen interesseerde mij, mijn zusje en broertje niet. Want onze oudste zus stond buiten in de kou te huilen. Haar verdriet was meermalen groter dan haar slanke silhouet op de sneeuw. Mijn moeder en oudere zus gingen heen en weer de kou in om haar te troosten… Maar er kwam geen einde aan haar snikkend gehuil. Het werd mijn allereerste keer dat ik met een lege buik in slaap viel.

Een diepe slaap die zelfs door luidruchtige gebedsoproepers en kraaiende hanen niet verstoord werd. Ik keek uit het raam. Mijn zus stond niet buiten. Ze was binnen en sliep op haar matras. Ik gooide mijn deken over haar heen. Zij bleef maar slapen. En het was nog steeds stil bij ons thuis.

Een achternicht had aan mijn zus verteld dat zij geen biologisch kind van mijn ouders was. Zij was een Hazara en geadopteerd door mijn ouders. Dat had zij van haar moeder, onze tante, gehoord. De tante die het nodig vond om de harmonie in ons gezin te verstoren en het familiegeheim zo te verklappen, heb ik na die avond nooit meer gemogen. Zij ontnam mij toen de liefde en aandacht die ik van mijn tien jaar oudere zus kreeg. Mijn zus, die zichzelf nu anders zag in de spiegel, veranderde van gedrag. Zij was somber, depressief en soms opstandig. Ik weet heel goed dat ik elke avond onder mijn deken God smeekte om haar op te vrolijken en terug te geven aan ons. Ze was nog geen achttien toen zij ons huis verliet. Zij trouwde en verhuisde met haar man naar een noordelijke provincie.

Na het huwelijk van mijn ouders konden zij jarenlang geen kinderen krijgen. Op advies van een tante van mijn moeder namen zij een weesbaby op van wie de ouders in een ramp waren omgekomen. Zij was zeven jaar lang de enige liefde van mijn ouders. Daarna kwamen er nog vijf bij. We groeiden op in een multiculturele omgeving. De vriendenkring van mijn ouders was een palet van Afghaanse pluriformiteit. Totdat uiterlijk en taal de superioriteit en het inferieur zijn van mensen begonnen te manifesteren. Het deed mij altijd pijn. Het doet mij nog steeds pijn.

De eerste man van mijn oudste zus werd voor haar ogen en in aanwezigheid van haar twee kleine kinderen door Russische soldaten doodgeschoten. Zij trouwde later met een andere man en bekeerde zich tot het geloof dat bij haar uiterlijk paste. Zij woont nu in de westelijke stad Herat samen met haar kinderen en kleinkinderen. Omdat zij een Shia en Hazara is, vreest zij voor haar leven en dat van haar gezin. “De Taliban haten ons, broertje”, zei ze tijdens een telefoongesprek twee weken geleden.

Ik was blij dat onze tuin aan de Ooijpolder voor gezelligheid en vermaak gezorgd had. Op de terugweg wilde dezelfde groep met mij terugrijden.

Deze kerst wil ik met hen doorbrengen om hun verhalen te horen. Dit verhaal aan hen vertellen en samen te huilen om het land dat ons ontnomen is. En daarna op Nederland, het land van vrijheden, te proosten.

Qader Shafiq.

‘Paul Verwer’

In één klap was ik alles kwijt. Mijn portemonnee met daarin alle pasjes: identiteitskaart, rijbewijs, bankpasje van mijn werk, maar vooral de foto’s van mijn dierbaren die naar me kijken. En vooral het recept van de medicijnen voor mijn moeder die zij in Afghanistan niet kon verkrijgen. Luisterend naar een discussie op de radio, fietste ik bergaf richting Hatert toen een chauffeur van een voorbijrijdende auto gebaarde naar achter te kijken. Ik remde en ontdekte meteen dat ik mijn aktetas kwijt was. Wat had de chauffeur, of misschien wel een kind op de achterbank, gezien? Mijn aktetas kon onmogelijk van mijn stevige fietstas afgevallen zijn. Ik fietste de route terug richting Weezenhof. Kijkend naar de stoepranden en onder de struiken. Hoe kon dat in vredesnaam gebeurd zijn? Alle voetgangers, fietsers en jongeren op scooters die ik eerder op die ochtend gezien had waren nu potentiële verdachten. Hoe kunnen zij zo’n zware tas van mijn fiets af hebben gehaald? Ik had een groot probleem. Mij was onrecht aangedaan. Ik heb 112 gebeld. Al snel lieten zij blijken dat ze mij niet konden helpen. Ze gaven mij het telefoonnummer van mijn bank. De bank bleek onbereikbaar. Dan kom je er ook achter dat je zonder bank-app niets kan. Ik fietste als grote loser over de Hatertseweg en St. Annastraat om bij het grote bankplein, Keizer Karelplein, te komen. Toen alle pasjes waren geannuleerd, kreeg ik een telefoontje van een medewerker van de Bastei, waar ik als vrijwilliger werkzaam ben: ‘Er is een meneer hier langs geweest. Hij heeft jouw aktetas gevonden met alles erin…’ Het werd mijn snelste fietstrip door het stadscentrum ooit. In de Bastei vond ik mijn spullen. Alles. Mijn laptop met het boek waaraan ik al een tijdje werk. Zelfs een briefje van 50 euro.

Een half jaar later, op een oktoberdag, was ik in Heumensoord aan het wandelen. Daar kwam ik drie Afghaanse evacués tegen met wie ik in gesprek raakte. Zij hebben mij hun verhalen toevertrouwd. Zij waren alles kwijt. Alles wat je maar kunt bedenken. Vooral het vertrouwen in de menselijkheid. Ik dacht aan Paul Verwer, een wandelaar uit Utrecht die de moeite had genomen mijn aktetas naar de Bastei te brengen. Toen ik belde en vroeg of ik hem op een of andere manier bedanken kon, zei hij: ‘Dat hoeft niet. Toen ik je aktetas aantrof, dacht ik bij mezelf: wat als ík dit alles kwijt zou zijn?’

Ik gunde de mensheid veel meer Paul Verwers.

Qader Shafiq

‘Bij Charles’

Twee jaar geleden schreef ik over Charles, mijn eerste buurman in Nijmegen die ik na 25 jaar op een koude zaterdagmiddag weer tegenkwam in Winkelcentrum Dukenburg. Een ontmoeting die de herinneringen opriep van mijn begin in Nederland, in Nijmegen. Het Indische burenechtpaar dat de warmte van afwezige geliefden hier in mijn somber asielbestaan compenseerde. Sindsdien ben ik daar niet meer geweest. Een bezoek aan deze buren om ze te laten zien dat het goed met mij ging, stelde ik steeds uit. Misschien omdat ik de moeilijkste periode van mijn leven daar heb doorgebracht.

Ik schreef over mijn schaamte dat ik een kwarteeuw lang niet bij hen langs was geweest en dat ik nu pas wist dat hij buurman Charles heet. En vooral dat ik zijn vrouw geen bloemen meer kon geven. Op een ochtend kreeg via LinkedIn het volgende bericht: “Wat bijzonder om je column over mijn schoonvader Charles te lezen. Helemaal vandaag, de dag waarop we zijn negentigste verjaardag vieren…”

Ik vroeg of ik langs mocht komen. Dat kon. Zelden heb ik in Nederland zo’n gezellig familiefeest gehad. Het hele huis, zoals ik van 1994 kende, was vol met dierbaren van Charles. Je proefde er de onvoorwaardelijke liefde. Ik mocht naast hem zitten. Ik luisterde naar hem. In het verhaal van de Indische Nederlander die wist hoe het is om je leven met bijbehorende vanzelfsprekendheden te verruilen met het onbekende leven ergens anders, vond ik de verklaring voor zorgzaamheid die wij, de asielzoekers, in hun nabijheid ervoeren.

Ik verliet het feest waar ik graag langer wilde blijven. Maar ik moest me voorbereiden op de Zevenheuvelenloop die de volgende dag zou plaatsvinden. Eenmaal bij ons in de straat, zag ik een buurman in zijn eentje zware balken sjouwen. Ik kon niet laten hem te helpen. Met rugpijn verscheen ik de volgende dag aan de start van de hardloopwedstrijd. Maar ik was gelukkig omdat ik een goede buurman was geweest. Helemaal in de geest van Charles.

Qader Shafiq

‘Verweggistan’

Afgelopen jaar schreef ik deze column: Vorig jaar presenteerde de opsteller van het rapport ‘De staat van cultuur in Nijmegen’ zijn bevindingen. Een volle zaal cultuurmakers, ambtenaren en geïnteresseerden die op loopafstand van Lux wonen, hingen aan de lippen van een meneer van het bureau Bluyard. Hij gebruikte een foto van Nijmegen waarop de stadsdelen Dukenburg en Lindenholt zich onder donkere wolken bevonden. Hij was overal en bij iedereen geweest, zelfs in de kroegen. Behalve over het kanaal. Maar de verkenning met zijn Randstedelijke ogen werd de basis voor de cultuurvisie in Nijmegen.

O, wat was ik blij toen ik burgemeester Bruls over Dukenburg hoorde zeggen: “Dukenburg wordt niet vooruitgeholpen als ieder blijft vasthouden aan zijn/haar eigen belang. Huidige bewoners, ondernemers, beleidsmakers, actieve professionals, politici zullen uit hun eigen bubbel moeten stappen.” Hoeveel van de 39 leden tellende Nijmeegse gemeenteraad of gezaghebbende bestuurders en beleidsmakers wonen er eigenlijk in Dukenburg?

Toen ik kennis nam van het rapport van de branchevereniging van woningcorporaties Aedes over de leefbaarheid in wijken, dacht ik aan delen van Dukenburg. “Steeds meer mensen met uiteenlopende sociale problemen wonen samen in dezelfde wijk.” In dertig jaar tijd is Dukenburg ruim een derde van inwoners kwijtgeraakt. Vindt u het gek? Het woningtoewijzingsbeleid heeft vanaf begin deze eeuw de leegloop bevorderd. Terwijl de progressieve colleges mooie kreten als solidaire en bruisende stad produceerden, werden die dromen door de bittere werkelijkheid ingehaald. De beloofde geneesmiddelen werden pijnstillers met korte-termijnwerking.

Juist aanwezigheid van overheidsloketten, kunst en cultuur en verzorgde groenvoorzieningen zullen bijdragen aan de leefbaarheid en gevoel voor veiligheid van Dukenburgers. Het genomen besluit van het college om Steunpunt Stadswinkel Dukenburg nog minder open te laten zijn, vergroot de afstand. Dukenburg wordt het Nijmeegse Verweggistan. Misschien moeten Dukenburgers ook een Bluyard hun verhaal laten vertellen.

Met deze column hoopte ik toen duidelijk te maken dat er weinig rekening wordt gehouden met de wensen van ruim twintigduizend stadsdeelgenoten. Toen ik hoorde dat men het lichtblauwe kunstwerk Tekening in de lucht van Kelfkensbos naar Dukenburg verplaatst wordt, dacht ik bij mezelf: “Het dringt niet door tot hen die de lakens in deze stad uitdelen.” Wanneer mogen wij Dukenburgers, die meebetalen aan dure keuzes zoals het verbouwen van dat lichtblauwe museum op Kelfkensbos, kiezen wat wij willen?

Qader Shafiq

‘Alexander Salomonsplein’

We stonden in de Paraplufabriek naar het verhaal te luisteren van de Deense kunstenares Nina Stoettrup Larsen over de blijvende Europese invloed op koloniën in Afrika. De expositie was aanleiding voor een reünie met een vriend en reisgenoot. Tijdens de lunch haalden we herinneringen van onze reizen op naar en door de streken van onvrijheid. De reizen waarmee wij als vrije mensen de absurditeit van grenzen en het menselijk leven binnen despotische systemen ervoeren. Maar de belangrijkste vraag die mijn vriend Arnon Grunberg stelde was: “Hoe gaat het met jouw moeder?”

Het belangrijkste dat ik aan hem wilde geven, was het Nijmeegse boek Voor Joden verboden. Het gesigneerde boek van Frank Eliëns, waarin Joodse Nijmegenaren geportretteerd zijn die wellicht de ouders van Arnon in Auschwitz ontmoet hebben. Het boek van de Nijmeegse schrijver heeft de grootste onderzoekschrijver van Nederland ontroerd. Ik was mijn vriend Henk dankbaar dat hij ons ingeschreven had om bij de signeersessie van Eliëns te zijn. Het boek verklaart waarom Frank Eliëns Nijmegenaren met een vluchtelingenachtergrond zo hartelijk bejegende.

Bij het verlaten van de Paraplufabriek wilde ik de seringen ruiken, die voor een van de vele herenhuizen aan de Johan van Oldenbarneveltstraat in bloei stonden. Toen ik merkte dat een van de mooie gevels mij de bitterheid van het koloniale verleden in herinnering bracht, draaide ik me om. Ik stond nu op het plein tegenover het station dat naamloos Stationsplein is gaan heten. De plek waar ik 27 jaar geleden als asielzoeker opgehaald werd.

Hier kwamen vanaf 1933 de eerste Joodse vluchtelingen uit Duitsland aan. Hier haalde rabbijn Alexander Salomons de kinderen op die zonder ouders uit Keulen waren gevlucht. Hier werden de Nijmeegse Joden naar wie de stad haar rug had gekeerd, op transport gezet. Hier verliet Salomons met zijn vrouw en kinderen de stad waar hij sinds 1925 woonde. Sobibor werd in 1943 het eindstation van familie Salomons die via het kamp Westerbork daar naartoe getransporteerd was.

Toen ik in 1999, in aanloop van de millenniumwisseling een bundel met gedichten en verhalen van vluchtelingenschrijvers publiceerde, en hoopte dat ik daarmee het nieuwe millennium een millennium van vrede en menselijkheid kon laten zijn, kwam de Dukenburgse dichter Els Wrona-Metgod naar me toe en vroeg of zij ook mee mocht doen. “Maar bent u een vluchtelinge?”, vroeg ik haar. Zij antwoordde: “Als kind moest ik onderduiken…” Het laatste gedicht van de bloemlezing, Veelzeggende cijfers dat Gered heet, is van haar:

Was het toen niet die ene

wij zouden niet meer zijn

uit het leven gewoon verdwenen

zoals velen die werden vermoord

en niemand die onze stemmen

ooit nog zou hebben gehoord…

Als er één naam is die de prijs van het grote goed Vrijheid in Nijmegen belichaamt, is dat wel die van Salomons. Ik verlang naar de tijd waarin elke treinpassagier op het fraaie Alexander Salamonsplein aankomt en de waarde begrijpt van de vrijheid in de oudste stad aan de Waal.

Qader Shafiq