Joodse oorlogsslachtoffers deel 4

In zijn boek Voor Joden verboden beschrijft Frank Eliëns alle Nijmeegse Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord. In de Dukenburger verschenen enkele van deze portretten.

Dit keer staan Isidoor, Ella, Hans Hartog en Miriam Beem centraal.

 Kort na hun huwelijk in augustus 1930 vestigden Isidoor Beem, geboren op 12 januari 1905 in Arnhem, en zijn vrouw Ella de Beer, geboren op 11 april 1905 in Borne, zich in Nijmegen. Ze gingen wonen aan de Berg en Dalseweg 84. Hun twee kinderen, Hans Hartog, geboren 7 juli 1931 en Miriam, geboren 23 maart 1936, zagen in Nijmegen het levenslicht.

Isidoor was handelsreiziger in damesconfectie en gedurende de oorlog, tot zijn deportatie, boekhouder bij de Joodse Raad in Nijmegen. Isidoor was een fanatiek dammer die uitkwam voor de damvereniging Vriendenkring in Nijmegen. Op dinsdag 21 januari 1930 was hij de grote uitblinker in zijn wedstrijd tegen B. den Hartogh met zijn ‘fraai en doortastend spel’. Hij kwam wisselend uit voor het A- en het B-team. In maart 1931 werd hij door de Dambond Gelderland verkozen tot een van de tien dammers uit Gelderland die zouden spelen tegen een team uit Brabant. Intussen bleef hij ook op clubniveau goed presteren. In juni 1931 stond hij in de onderlinge competitie op de eerste plaats met acht gewonnen wedstrijden en één remise. Tot september 1932 was Beem om onbekende redenen uit de running. Toen pakte hij de draad weer op. De journalist van de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant was benieuwd naar het spelniveau van Beem ‘die theoretisch goed onderlegd is en toen hij nog speelde, tot de beste krachten behoorde’. Hij had de goede vorm weer snel te pakken. Op 25 oktober 1932 speelde hij remise in een simultaanwedstrijd tegen de wereldkampioen dammen in 1928, de heer B. Springer, die van de 38 wedstrijden er 34 won. Op 22 april 1941 speelde Beem zijn laatste damwedstrijd (met wit) tegen M. Lam in De Nieuwe Karsseboom aan het Mariënburg. De uitslag is niet bekend.

In december 1939 werd de Firma Beem’s Kleedingmagazijnen, waarvan de broers Isidoor en Lazarus Beem vennoten waren, failliet verklaard door de Arrondissementsrechtbank van Arnhem. Op 7 december vond een faillissementsverkoop plaats. Aanvankelijk was het gezin gevrijwaard van deportatie vanwege het feit dat Isidoor werkzaam was bij de Joodse Raad in Nijmegen. Op 8 april 1943 werd een aanvang gemaakt met het overbrengen van alle nog niet gearresteerde Joden uit onder meer Gelderland naar kamp Vught. Vanaf 10 april mochten zich geen Joden meer in een achttal provincies bevinden. Het gezin Beem vertrok op 8 april naar kamp Vught, om van daaruit op 7 juni 1943 naar Westerbork overgebracht te worden, waar barak 62 hun nieuwe tijdelijke verblijfplaats werd.

Op een systeemkaart van de Joodse Raad, die van alle Joden werd gemaakt, werd Isidoor omschreven als een accurate man die makkelijk communiceert, maar weinig initiatief toont en ondanks een chronische ischias ‘volkomen’ gezond was.

Op 11 juli 1943 schreef Ella Beem een briefkaart naar de familie Van Breukelen, woonachtig aan de Van Welderenstraat in Nijmegen, en bedankte hen voor de brieven en pakjes. Ze schreef onder meer: “Wat was ik gelukkig met jullie hartelijke brieven. Ik kon van ’t huilen haast niet verder lezen, zó gelukkig was ik dat ik post van jullie had. Ik dank jullie duizendmaal voor alles wat jullie voor ons doen en dat jullie ’t met grote liefde doen, dat zie ik aan de pakjes. ’t Is voor ons zo’n grote troost, dat jullie zo goed voor ons zijn. Die pannetjes en bekertjes kwamen zó goed van pas. Ik ben er echt trots op. Davitamon is voor de kinderen zo goed. Dank er veelmaals voor. Ik hoop dat jullie bidden helpt, ik weet ’t echt te waarderen.”

Op 7 september vertrok transport 75, met het gezin Beem, naar Auschwitz. Moeder Ella en haar kinderen werden direct na aankomst vermoord. Vader Beem werd tewerkgesteld en in of rond maart 1944 in Auschwitz vermoord.

Foto: Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant van 1 december 1939. Collectie Regionaal Archief Nijmegen