In gesprek met Frank Eliëns, schrijver van ‘Voor Joden verboden’

“Ongelofelijk hoeveel mensen in Nijmegen met de oorlog worstelen.” Dat zegt Frank Eliëns. Begin mei verscheen zijn boek over de lotgevallen van de Joden voor en tijdens de oorlog. Een lacune in de plaatselijke geschiedenis is gevuld.

In eerste instantie was er aandacht voor de slachtoffers van het bombardement van 22 februari 1944. De bevrijding in september 1944 betekende niet het einde van de ellende. Er volgden een herfst en winter waarin Nijmegen frontstad was. Dat betekende nog meer slachtoffers en verwoesting. Hierover is inmiddels het nodige geschreven. Maar niet over die grootste schande: de bijna totale uitroeiing van de Joodse bevolking. Daarover heeft Eliëns een indrukwekkend boek geschreven: Voor Joden verboden, Hoe de Joodse gemeenschap uit Nijmegen verdween 1940-1945. In dit boek beschrijft hij alle Joden die in de oorlog in Nijmegen woonden en omkwamen, vermoord werden. Waar en met wie ze woonden, wat ze deden en wat er met hen is gebeurd. Ze zijn bijna allemaal vermoord in Duitse concentratiekampen. Het boek begint met een uitgebreide inleiding, waarin de maatschappelijke situatie wordt geschetst. Het eindigt met een hoofdstuk waarin Jodenvervolgers beschreven staan.

Gezicht geven.

Eliëns heeft lang bij het Gemeentearchief gewerkt.

  In 1995 was er een tentoonstelling over de Tweede Wereldoorlog. Bij de voorbereiding hiervan ontdekte hij een lijst met de namen van alle Nijmeegse Joodse slachtoffers. Hij besloot ze een gezicht te geven. Letterlijk: in tekst en met foto’s. Het duurde vijfentwintig jaar voordat hij hiermee klaar was. Hij dook archieven in en sprak tientallen mensen: slachtoffers, hun kinderen en kleinkinderen. “Eerst wist ik niet hoe ik een gesprek moest beginnen. Het gaat toch om het ergste wat ze mee hebben gemaakt. Draai er niet omheen en vraag er meteen naar, adviseerde een van hen. Hij hielp me om de vragen te formuleren.” Eliëns heeft veel archiefbewaarplaatsen bezocht voor zijn onderzoek: “Het was ouderwets handwerk. Zo heb ik alle persoonskaarten van Nijmegen in mijn handen gehad.” Later kon het ook op de pc. Zo heeft hij alle Joodse namen door Delpher gehaald, de website van het Koninklijk Archief waarin je kunt zoeken in een groot aantal kranten. “Vanaf 1998 deed ik onderzoek in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Daarin zitten alle dossiers van mensen die vervolgd zijn voor samenwerking met de Duitse bezetter. Ik wist niet wat ik kon verwachten. Wat ik vond waren verhalen van mensen die Joodse stadsgenoten opjoegen, arresteerden, deporteerden en hun huizen leegroofden. Meubels werden opgehaald door iemand uit Nijmegen voor de opslag. Dan reden ze eerst langs hun eigen huis om de slechte meubels in te wisselen voor de goede meubels uit de Joodse huizen. Ze stalen ook sieraden en andere persoonlijke bezittingen. Dat vond ik knap lastig om te lezen.”

“Soms lijkt de geschiedenis onvoorstelbaar omdat die zo gruwelijk is. Een van de slachtoffers kon niets anders over zijn ervaringen vertellen dan dit: Als jongvolwassene werd hij afgevoerd naar Auschwitz. Daar aangekomen vroeg hij aan een bewaker waar zijn ouders waren. De bewaker wees naar de schoorstenen...”

 Ligtenstein.

Eliëns heeft alle verhalen onthouden, bijvoorbeeld dit: “De grootste razzia was op 17 en 18 november 1942. Bijna tweehonderd Joden werden opgepakt. Ze werden in een trein gestopt die hen naar Westerbork moest brengen. Onder hen was Bep Ligtenstein. De trein vertrok niet meteen, maar stond uren stil op het rangeerterrein nabij de Graafseweg/Willemsweg. Beps niet-Joodse verloofde Wil Koets zocht haar en liep in paniek langs de trein. Hij vond haar. Bep kon nog net door het coupéraampje een briefje in Wils hand stoppen met adressen van familieleden die hij moest waarschuwen.” Dat was de laatste keer dat ze elkaar hebben gezien. Wil heeft na de oorlog lang naar Bep gezocht. Vergeefs. Op 31 januari 1943 was ze in Auschwitz vermoord.

Schmoll.

“Minna Schmoll-Weihl was een van de Joodse vluchtelingen die zich in september 1940 vanuit de kuststreek in Nijmegen vestigde. Zij was getrouwd met Siegfried Schmoll. Hij was naar Engeland gevlucht. Zijn vrouw zou volgen. Siegfried werd in Engeland gearresteerd omdat hij een Duitse vluchteling was. Samen met ruim 2500 andere Joodse vluchtelingen werd hij op transport gezet naar een interneringskamp in Sydney, Australië.” Ook zij hebben elkaar nooit meer gezien. Minna werd op 26 februari 1943 in Auschwitz vermoord. Siegfried overleefde de oorlog en ging naar Israël. Hij stierf op 3 augustus 1975 in Tel Aviv. Eliëns beschikt over de originele brieven die Siegfried naar Minna stuurde.

Agenten.

“Ik heb bewust portretten van agenten gemaakt die Joden vervolgden. Hoe kwamen ze tot dit soort daden? De achtergrond was vaak carrière, huwelijksontrouw of aanzien.” De grootste schoft die Eliëns tegenkwam was Gerrit Gerritsen: “Hij was 18 jaar toen de oorlog begon en deed dingen die wij niet verzonnen kunnen krijgen.” Hij heeft tientallen Nederlanders uitgeleverd en hen daarbij een zekere dood ingejaagd. Niet alleen Joden. Hij verraadde zelfs een vriend, die het met de dood moest bekopen. En wat deed Gerritsen? Hij ging de moeder van zijn vriend condoleren met de dood van haar zoon.

Salomons.

Een speciale plek heeft rabbijn Alexander Salomons. “Ik heb met een neef gesproken. Salomons was een fascinerende man. Ik heb heel graag zijn verhaal geschreven.” Vóór de oorlog kwamen veel Joodse vluchtelingen via Nijmegen het land binnen. Salomons probeerde ze op te vangen. Vaak lukte dat, vaak niet. De regering werkte tegen. Eliëns: “Helden worden pas na de oorlog benoemd. Salomons was het wel. Dat zou hij zelf overigens niet vinden. Hij is nooit weggelopen voor de verantwoordelijkheid en de consequenties daarvan. Hij deed het om mensen even of voor langere periode een thuis te geven.”

In de Dukenburger nummer 4 van 2021 staat Salomons’ verhaal. Bekende Nijmegenaren vinden dat hij een straatnaam verdient. Niet zomaar een. Het Stationsplein zou naar hem genoemd kunnen worden. Het station is de plek waar hij altijd naar toe ging om Joden te helpen. Het station is ook de plek waarlangs alle Joden – ook Salomons met zijn gezin – zijn afgevoerd. Met de naam Alexander Salomonsplein worden alle Nijmegenaren geëerd die betrokken zijn geweest bij de hulpverlening aan Joden. En is het een blijvende herinnering aan de hulp aan vluchtelingen en het gedwongen vertrek van de meeste Joodse stadgenoten.

Wijsheden.

“Het verhaal over vluchtelingen is universeel. Ze vluchten voor ellende, maar zijn nauwelijks welkom. Toen niet en nu niet. Alles blijft vrijwel hetzelfde, alleen het jaartal verandert”, zo stelt Eliëns. Hij ontleent een belangrijke levenswijsheid aan een Joodse vriend die Auschwitz overleefde: “Ieder mens is goed totdat hij het tegendeel bewijst. Het vraagt veel om voor mensen in de samenleving te zorgen. Maar ook een klein gebaar kan groots zijn. Het gaat om het steentje dat je in het water gooit, waardoor het water gaat rimpelen.”

Het boek Voor Joden verboden is verkrijgbaar in de (Nijmeegse) boekwinkels en op de websites van alle bedrijven die boeken verkopen.

Bericht juni 2021