De in 1883 in Goor geboren Nathan Brogholter en zijn in hetzelfde jaar in Xanten Duitsland geboren vrouw Elsa Passmann vestigden zich in augustus 1940 in Nijmegen. Zij trokken in bij bij Isaäc Glaser en Bernadina Passmann (de zus van Elsa) aan de Graafseweg 32.

Nathan moest zich in de zomer van 1942 melden in Westerbork. Vlak voor zijn vertrek onderging hij in het Wilhelmina-ziekenhuis een zware operatie. Dat kon een gedwongen vertrek naar Westerbork niet voorkomen. Kort voor dit vertrek had Elsa Brogholter op 5 oktober Mr. Leenen, accountant in Nijmegen, notariële volmacht verleend om haar belangen te vertegenwoordigen. “Van eenig teeken van leven is mij sindsdien niet meer gebleken”, zo verklaarde deze kort na de oorlog. Nathan overleed op 14 oktober 1942 in Westerbork en werd twee dagen later op de Joodse begraafplaats in Assen begraven. Elsa werd met het transport van 23 oktober 1942 naar Auschwitz vervoerd waar zij direct na aankomst op 26 oktober werd vermoord. Voor het huis waar Elsa in Xanten woonde - Karthaus 2 - ligt ter herinnering aan haar een Stolperstein.

Bewindvoerder

Tot bewindvoerder over het vermogen van Brogholter werd op 16 oktober 1945 Mr. J.H. Leenen aangesteld. In een brief van 8 april 1946 aan het Nederlands Beheersinstituut, afdeling Nijmegen, gaf Leenen een tussentijds verslag van zijn bevindingen. Op 1 mei 1941 bedroeg het vermogen van Brogholter en zijn vrouw blijkens aangifte voor de vermogensbelasting rond de 44.000 gulden. Brogholter bezat geen onroerend goed en had zijn roerend vermogen bij Lippmann, Rosenthal & Co in Amsterdam moeten inleveren. Van deze bank kreeg hij maandelijks 120 gulden om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Door Brogholter en zijn vrouw waren dertig effecten bij deze (roof-)bank ingeleverd ter waarde van bijna 58.000 gulden. Alle effecten waren door de bank verkocht.

In bezit van de bewindvoerder was een aandeel van 300 gulden. Hij maakte in genoemde brief melding van de verkoop van een aantal dividendbewijzen, waarvan hij de waarde niet noemde. Verder stond op een tweetal spaarbankboekjes nog een tegoed van ruim 5700 gulden.

Leenen had van mevrouw Brogholter een aantal keer contant geld in ontvangst genomen en dit samen met de opbrengst van de dividenduitkering van aandelen op een geblokkeerde rekening gestort. Het betrof een bedrag van 685 gulden. Ook ontving hij een tas met sieraden.

Huis leeggehaald

Zoals gemeld woonde het echtpaar in bij hun zwager. Nathan en Elsa bezaten nauwelijks meubilair. Maar het weinige dat er was, verdween toen het huis van de familie Glaser werd leeggehaald na hun vertrek naar Westerbork. De waarde werd getaxeerd op 5.000 of 6.000 gulden.

Basisloon

Op 16 september 1946 vroeg Leenen het Nederlands BeheersInstituut zijn basisloon voor zijn werkzaamheden naar behoren te honoreren, zeker omdat hij heel secuur en uitvoerig de bewindvoering verrichtte. “Ik wil hierop niet terugkomen, want het is niet prettig deze financieele kwestie telkens opnieuw te moeten aanroeren. In het geval Brogholter kan ik evenwel met de luttele beloning van fl. 50,- per jaar geen genoegen nemen. Het is mij volkomen onbegrijpelijk, dat het Ned. Beheersinstituut in dit geval zelfs gemeend heeft de toch al geringe minimum belooning van fl. 100,-- voor een heel jaar te moeten halveeren. Of hiertoe het recht bestaat, weet ik niet, maar onbillijk is het zeker.”

Slotsom

In zijn eindverslag van 3 november 1951 kwam Leenen tot de slotsom dat het vermogen van het echtpaar Brogholter moest worden vastgesteld op 60.366,46 gulden. Het grootste deel bestond uit effecten waarover nog geen rechtsherstel had plaatsgevonden, maar gerekend werd op een uitkering van 70 procent van de waarde van de effecten. Een uitkering die overigens in een eerder stadium door de Raad voor het Rechtsherstel was verworpen. Het is niet bekend hoe de bewindvoering uiteindelijk precies vorm heeft gekregen, maar we mogen ervan uitgaan dat de vordering aan de nabestaanden werd toegewezen.

Bericht september 2021