Vanaf de Dukenburger nummer 7-2019, het oktobernummer is de zesdelige serie Hilde Fischer te lezen. Het verhaal van gewone Duitse mensen in nazitijd. Over mensen zoals jij en ik. De serie loopt tussen de herdenking van de bevrijding van Nijmegen (september 2019) en Nederland (mei 2020).

“Door dagenlange bommenregens werd de stad systematisch vernietigd.” Acht dagen en zeven nachten lang, van 24 juli tot 3 augustus 1943. “We zaten elke nacht in de kelders. Op het laatst moesten we naar de grote schuilkelders.” Schrijft ze in deel 3. De generatie die het daadwerkelijk heeft meegemaakt is er bijna niet meer, dus is het goed ook hier deze ‘Kerstmaand’ even bij stil te staan. Een vergelijk maken tussen de politiek van die dagen die voor deze ramp 80 jaar terug zorgde en de huidige stromingen mag ook. Als wakkerschuddertje…

Voor de digitale Dukenburgers klik hier

Hier de reeds verschenen delen;

Hilde

Deel 1

Uit de biografie van mijn tante: Anna Hildegard Josepha Fischer, tante Hilde. Geboren in Hamburg 19 maart 1923, overleden in Hilversum 19 april 2015. Het verhaal van gewone Duitse mensen in nazitijd, opgeschreven door Hilde van der Linden-Fischer en mijn neef Peter van der Linden. Over mensen zoals jij en ik…

Tekst: Peter Saras

---  

Haar jeugd

Hilde groeide op in de Hamburgse wijk Barmbek, in het huis van haar opa Kuhlmann, de vader van Hilde’s moeder. Achter het huis had opa Kuhlmann paardenstallen voor de paarden van de venters in de stad. Tot 1937 ging Hilde naar de ‘Volksschüle’ naast de St. Sophien Kirche en kreeg les van katholieke nonnen. Ze had twee jongere broers, Ewald (1925) en Aloys (1927).

Nazi’s aan de macht

Hilde schrijft: “Ik was bijna tien jaar oud toen Hitler begin 1933 met zijn nazi’s aan de macht kwam. Het was een vreemde tijd waarin optochten met mensen met fakkels door de straten trokken.” Ook op de school veranderden er dingen. “De nonnen moesten opeens burgerkleding gaan dragen en hun eigen naam gebruiken. Schwester Agnes werd ineens Fräulein Meijer.” Zelfs de kruizen aan de muur in de klas werden vervangen door foto’s van Adolf Hitler. De samenleving werd steeds verder ‘genazificeerd’. “Papa en mama waren fel tegen Hitler, maar je mocht niks zeggen want dan was je de vijand.”

Verplicht bij de partij

Hilde’s vader had een succesvol loodgietersbedrijf met twaalf tot veertien werknemers en al vroeg een eigen auto. Hij weigerde echter in die vooroorlogse jaren lid te worden van de NSDAP, de nazipartij. Gevolg was dat hij in 1938 geen opdrachten meer kreeg. “De klanten mochten voortaan hun opdrachten alleen gunnen aan ‘nazi-loodgieters’, ze mochten zelfs niets meer bij hem laten repareren. Papa ging als leerling loodgieter in de Hamburgse haven werken.” Met minder inkomen kreeg het gezin het financieel zwaar. Ondertussen werd de familie, na de dood van opa Kuhlmann uit het huis gezet en vond het onderdak, in twee kamers, bij de opa en oma Fischer.

De twee broers van Hilde, twee en vier jaar jonger, moesten verplicht naar de Hitlerjugend.

Hilde moet, veertien jaar oud, toen ze van school kwam verplicht één jaar werken in een soort ‘arbeidsdienst’. Eerst bij een bakkerij/konditorei waar ze werd uitgebuit en waar haar vader haar weghaalde. Later kwam er verbetering met een plek op kantoor bij een advocaat en volgde ze de ‘Handelsschool’.

In 1939 vond de familie eindelijk een eigen woning. Ze schrijft: “Wat waren we blij met deze woning. Maar een maand later begon de oorlog…”

 

Hilde

Deel 2

De eerste oorlogsjaren

1939: Hitler valt Polen binnen. Hilde’s vader moest direct opkomen in militaire dienst als onderofficier bij de paardentransporten. Haar moeder werd ziek en moest een zware operatie ondergaan. Net zestien jaar oud en Hilde moest een gezin draaiend houden. “Ik moest koken, wassen, schoonmaken enzovoorts. En daarbij ook nog naar kantoor en school.” De eerste oorlogshandelingen in Polen waren snel voorbij, vader kwam thuis. Er volgden enkele rustige maanden.

1940: de oorlog ging verder

“Papa moet weer weg als soldaat,” schrijft ze. En het treft nu ook haar twee jongere broers, Ewald (10 februari 1925) en Aloys (11 december 1927). “Ewald moest opkomen, eerst bij de ‘arbeidsdienst’ en iets later als soldaat en kwam direct naar het oostfront.” Alle mannen werden opgeroepen voor militaire dienst, zo ook Hilde’s baas, Herr Körner van het makelaarskantoor waar ze werkte. Hilde was drie dagen in de week op dit kantoor en twee dagen op de handelsschool.

Iedereen was in de ban van de oorlog. Voedsel en kleding gingen op de bon. Vader was ver weg van huis in Frankrijk. Hilde’s jongste broer Aloys moest met zijn hele middelbare schoolklas inclusief leraar verhuizen naar barakken geplaatst op de binnenplaats van een groot warenhuis. “Daar kregen ze hun gewone lessen maar in hun zogenaamde vrije tijd kregen ze les van een officier bij een luchtafweerkanon op het dak van het warenhuis. Als het alarm afging en iedereen de schuilkelders opzocht, renden zij als zestienjarigen naar het dak om het luchtafweerkanon te bemannen.”

De mannen waren van huis en de vrouwen bleven over. Het eerste grote bombardement op Hamburg was al in november 1940. Vanaf de lente 1941 nam het aantal bombardementen snel toe. Hilde schrijft: “Veel straten en huizen werden getroffen. Het werd steeds erger, nachten lang hebben we in kelders gezeten die tot bunkers waren verbouwd.”

Tussen 1941 en 1943 werd het relatief wat rustiger. “Papa was dan wel soldaat maar hij was vlakbij gelegerd. Hij knapte loodgietersklusjes op voor een officier (zijn superieur) in Blankenese. Zwart natuurlijk. Als tegenprestatie mocht hij van die man vaak naar huis. Dat moest wel stiekem, want het was natuurlijk illegaal (net als dat klussen).”

Hilde’s broer Aloys ging als soldaat naar Polen…

 

Hilde

Deel 3

Het grote bombardement

De bombardementen op Hamburg werden alsmaar heviger. Hilde schrijft: “Door dagenlange bommenregens werd de stad systematisch vernietigd.” Acht dagen en zeven nachten lang, van 24 juli tot 3 augustus 1943. “We zaten elke nacht in de kelders. Op het laatst moesten we naar de grote schuilkelders. Tegenover ons huis was er zo een, onder een grote school. Daar waren we wel met honderd mensen of meer.”

Bommentapijt

“Toen kwam die vreselijke aanval. Alle wijken in de omgeving werden platgegooid. Onze wijk, Barmbek, kreeg het zwaar te verduren.”

In een bewaard tijdschrift is te lezen: ‘In de nacht van 27 op 28 juli 1943 legden 800 vliegtuigen een bommentapijt over Hamburg. Er ontstond een grote vuurstorm die nog nooit gezien was, alles is verwoest. Een gebied van 4,5 bij 5 kilometer stond in vlammen. Die ene week dropten de geallieerden 120.000 brisant-, mijn- en fosforbommen en drie miljoen brandbommen. Er vielen tussen de 80 en 90 duizend doden en gewonden, 900.000 mensen werden dakloos’.

Hilde: “We schuilden in de bunker onder de school. Ik zal die nacht nooit vergeten. We waren er al om zeven uur ’s avonds, oudere mensen, vrouwen en kinderen. Toen de aanval op Barmbek begon was het alsof de wereld verging. Het licht ging uit, alles was aan het schudden en kalk viel van de plafonds.”

Massagraf

Hilde heeft knipsels van kranten en tijdschriften bewaard. Eén daarvan laat een foto zien van het totaal ingestorte warenhuis ‘Karstadt’, de grootse winkel van Hamburg in de Hamburgerstrasse. Onder deze winkel was een schuilkelder waar 500 mensen in konden. Het werd één massagraf.

In de schuilkelders was zuurstoftekort, de deuren konden niet open, te veel vuur. “Wij, de jongeren draaiden de hele nacht aan apparatuur die zuurstof leverde. Kinderen gilden, oude mensen schreeuwden en baden – nee ik stop met schrijven, alles komt weer boven…”

Brandende bomen

“De lieve god heeft ons bewaard,” schrijft ze. Als om negen uur de bunkerdeuren opengaan zien ze alleen puin en brandende bomen. Hun huis staat er nog maar binnen is alles kapot.

Hilde’s vader besliste: “We gaan weg.” Ze verzamelde wat kleine spullen, een lepel, vork, mes, wat schoenen. Op twee fietsen die nog bruikbaar waren ging men op pad.

“We liepen door alleen maar verwoeste straten.”

 

Hilde

Deel 4

Gevlucht uit Hamburg

Met vader, moeder, twee fietsen en wat spullen zoveel de fietsen konden dragen, verlaat Hilde het verwoeste Hamburg. In een stroom met duizenden vluchtelingen in oostelijke richting. (Uiteindelijk vluchten een miljoen mensen uit de stad)

Hilde schrijft: “De eerste acht tot tien uur liepen we zonder eten of drinken. Pas later verschenen onderweg ‘goulashkanonnen’, zo noemde men de grote proviandwagens voor de soldaten. We kregen dan wat brood en thee.”

Het waren warme dagen, wel 28 graden. In de Lütjensee zochten veel vluchtelingen verkoeling. “Toen trokken we onze vieze kleren weer aan, verschoning hadden we niet.” Die avond kwamen ze met honderden in Trittau aan. “De boeren moesten hun stallen en huizen openstellen en stro neerleggen. Zo konden we slapen tussen de varkens.”

Naar Beieren

Van ‘Trittau’ ging de tocht in vrachtwagens verder naar Wittenberge. Door opstoppingen en luchtaanvallen duurde de reis meerdere dagen. “Onderweg sliepen we in kazernes, scholen, kerken. De organisatie kwam op toeren, dat konden de nazi’s goed. Vanuit Wittenberge moesten we met goederentreinen volgepropt met mensen naar Passau in het zuiden van Duitsland.” Hilde en familie kwamen bij boeren in een klein dorpje Aidenbach bij Vilshoven an der Donau. Ze werden verdeeld over diverse boerderijen waar ze mee moesten helpen in de huishouding. Op die boerderijen waren ook veel dwangarbeiders, Russen, Polen en Fransen. “Papa moest al snel weer terug naar zijn onderdeel. Hij was al veel te lang onwettig afwezig.”

“Na een tijdje kwam alles tot rust en we probeerden contact te krijgen met onze familie.” Hilde’s broers, Ewald en Aloys, kwamen via lijsten van het Rode Kruis achter de verblijfplaats in Beieren. Ook werd ontdekt dat andere familieleden in Passau waren. Het lukte in deze maand toch elkaar te bezoeken in de omgeving van Vilshoven.

De familie ondergebracht in Passau had de verstandelijk gehandicapte halfbroer van de vader van Hilde meegenomen uit Hamburg. Ze hadden de vijftigjarige Edi (Edwin) in een vuilniskar de stad uit gereden en hem de hele tocht meegesleept. In Passau werd hij al snel door de nazi’s opgehaald om naar een inrichting gebracht te worden. Later hoorde de familie dat hij dood was, longontsteking, en al gecremeerd.

“We denken dat de nazi’s hem een spuitje hebben gegeven, een eter te veel…”

 

Hilde

Deel 5

Terug naar het noorden

Gevlucht uit Hamburg leefde Hilde de hele maand augustus (1943) in Beieren. “Na een rustige maand kreeg ik een oproep. Ik moest mij melden bij het arbeidsbureau in Hamburg. Ik weigerde. Wat moest ik alleen in Hamburg? Alles lag in puin en ik had geen woonruimte.” De oproepen bleven komen, de nazi’s wilden alle jonge mensen terug. De organisatie was goed, vooral het Rode Kruis zorgde voor adreslijsten. Ook vriendin Liesel had op deze manier de familie in Beieren gevonden. “Ze had een baan voor mij in Altengamme, een dorpje aan de Elbe, hemelsbreed 20 kilometer ten zuidoosten van Hamburg. Ik kon beginnen bij een bank, Ik heb direct ja gezegd.”

De terugreis duurde drie dagen, waarbij Hilde ook overnachtte bij familie in Pritzwalk bij Wittenberge. Het laatste stuk reisde ze samen met haar nicht Dina, die moest gaan werken in het Marienziekenhuis in Hamburg.

September 1943 in Altengamme

Altengamme was een klein dorp achter de dijk aan de Elbe. “Mijn baas, de bankbeheerder, was de oude ‘Herr Timmann’. Hij was 75 en eigenlijk had zijn zoon hem al opgevolgd maar die was opgeroepen als soldaat.” Verder waren in huis alleen vrouwen en kleine kinderen.

“Ik ben goed opgenomen en kreeg een zolderkamer bij hen in huis. Ik at zelfs mee met de familie.” In de winter van ’43-’44 kwam het bericht dat broer Ewald zwaargewond was geraakt aan het oostfront. Hij kwam terug en verbleef in een lazaret in zuid-Duitsland.

In de zomer van 1944 probeerde Hilde haar moeder richting Hamburg te krijgen. “Door mijn functie bij de bank kende ik de prominenten van het dorp, zoals de oud-burgemeester en diverse vooraanstaande oude boeren. Dat hielp want mama kan naar Altengamme komen.” Als woonruimte dienden twee kamers en een keukentje zonder stromend water in een rietgedekte boerderij aan de Elbeteich. “Begin 1945 trok ik bij mama in.”

De voedselvoorziening was op het platteland beter dan in de stad. Daarvoor hielp wel iedereen mee op het land. Hilde schrijft hierover: “Ineens verscheen er een duikbommenwerper. Het vliegtuig kwam recht op ons af. Ik kon de boordschutter zien, hij lag op zijn buik voorin het vliegtuig. Zijn machinegeweer ratelde. We doken direct de greppel in, de kogels vlogen over de weg.”

 

Hilde

Deel 6

Chaos en honger

Hilde schrijft: “Mijn vader was begin april 1945 bij ons op bezoek en ging daarna niet meer terug. Hij trok zijn uniform uit en burgerspullen aan en bleef gewoon thuis.” De chaos was compleet. Niet veel later kwam Hilde’s broer Ewald aan in Altengamme. Ook hij ging niet terug, hoewel hij zich bij zijn onderdeel had moeten melden. “Papa en Ewald begonnen toen samen als loodgieters kleine reparaties te verrichten. In een verlaten schuurtje en met gereedschap dat ze in 1944 hadden uitgegraven bij de oude werkplaats in Hamburg.”

De laatste fase van de oorlog begon en iedereen was bang. Hitlers soldaten waren op de vlucht, er heerste een grote chaos en er was haast niets meer te eten.” Altengamme ligt ten noorden van de Elbe, de rivier die frontlinie was. “In Altengamme werden 150-200 soldaten gelegerd. Het waren oude mannen met een jonge luitenant. In de dijk kwam luchtafweergeschut.” De bovenste verdiepingen van de boerderijen konden niet meer gebruikt worden, De Engelsen aan de overkant van de Elbe schoten op alles wat bewoog!

De Engelsen hadden ook alle mensen uit hun huizen gejaagd en het vee losgelaten. Elke nacht hoorde men de koeien, die wilden gemolken worden, loeien. “Op een nacht zijn vier Duitse soldaten met een roeiboot overgestoken, ze hadden zakken en messen bij zich. Hoe ze het gered hebben weten we niet, maar tussen de schijnwerpers door hebben ze het gewaagd. Ze kwamen tegen vijf uur ’s morgens terug met twee dode varkens en een heleboel kippen.” Men had al dagenlang bijna niets gegeten, gevolg was dan wel dat na dit voedsel iedereen buikpijn had.

In de nacht van 28 en 29 april staken de Engelsen de Elbe over bij Lauenburg. “Met hels lawaai” schrijf Hilde. “In de weken hierna kwam steeds meer familie terug maar van mijn broer Aloys hoorden we niets. Tot in september een magere jongen voor de deur stond, het was Aloys. Hij was een van krijgsgevangenen die onder de open hemel bij Sankt Goar aan de Rijn gevangen waren gehouden.” Honderden soldaten waren er overleden. “Aloys was nog geen achttien jaar, tot zijn dood had hij last van dat trauma.”

Hilde trouwde met de Nederlandse dwangarbeider Henk in april 1947. In oktober van dat jaar kwamen ze naar Nederland en woonden in Hilversum.